De Manège van de opstand vertrekt van problemen die ik heb ondervonden tijdens mijn werk in de KVS (2001-2013). Daar ontwikkelden we een theateresthetica die gebaseerd was op stedelijkheid (Linda Boudry e.a. 2003, Eric Corijn). We streefden naar een dramaturgie van de stad die verbindingen legt tussen de stedelijke context als leverancier van artistiek materiaal, de identiteit van de kunstenaar, zijn artistieke praktijk en de diverse stedelijke publieken. We zagen het theater als een anti-dotum tegen het neoliberalisme en de problemen die voortvloeiden uit de opdeling van Brussel in culturele gemeenschappen; als een medium dat grenzen sloopt, tegenstellingen overwint en mensen met elkaar verbindt.
Vanaf ongeveer 2008-2009 had ik steeds meer vragen bij ons beleid. Het neoliberalisme en het daarmee gepaard gaande narcistische mens- en wereldbeeld (Isolde Charim, Frank Vande Veire) leek de culturele sector zozeer te hebben ingepalmd, dat er wel geproduceerd en gecoproduceerd, maar niet meer samengespeeld kon worden (Geert Opsomer). In die context begon ik mij af te vragen of de bestaande instellingen nog wel een geschikt kader voor emancipatorische kunst konden bieden. Bovendien doken er nieuwe vormen van verzet op, o.m. Occupy, een basisdemocratische beweging die weigerde zich in te schakelen in welke bestaande politieke structuur ook. Dat deed de vraag rijzen of een esthetica gebaseerd op stedelijkheid nog wel up-to-date was.
Samen met masterstudenten en en twee collega-docenten (Johan Dehollander en Geert Opsomer) van de Afdeling Dramatische Kunsten-RITCS zette ik een artistiek labo, een transit-zone (Geert Opsomer) op om de vraag naar kunst en verzet vandaag te onderzoeken. Als onderzoeksmateriaal koos ik Pantagleize van Michel de Ghelderode (1929). Die tekst is een satire op de burgerlijke maatschappij en op de politieke en artistieke avant-garde van het interbellum, o.m. op communisme en anarchisme. In de transit-zone werd de tekst vanuit het werk op de vloer getransformeerd tot een performance in de zin van Erika Fischer-Lichte.
Ik ben mijn onderzoek begonnen vanuit de verwachting dat hedendaags artistiek verzet het karakter van een Žižekiaanse “esthetica van de overidentificatie” zou kunnen hebben. Voor Žižek is de esthetische overidentificatie de artistieke pendant van een politieke revolutie, maar Pantagleize II leidde tot andere conclusies. Niet langer de politieke revolutie is vandaag relevant, ook niet de sociale revolutie van de anarchisten, maar wel de idee van de post-anarchistische opstand (Saul Newman en Matthijs van de Sande). Het bleek dat die opstand het best verwezenlijkt kan worden in gemeenschappen die veel gelijkenis vertonen met open gemeenschappen zoals die van Occupy.
Als structuur lijkt de transit-zone goed bij dergelijke gemeenschappen te passen. Zij is een tijdelijke, autonome zone waar mensen met nieuwe identiteiten en politieke vormen kunnen experimenteren. Het gaat niet alleen om een zich distantiëren van instituten en gevestigde sociale relaties, maar ook van de zelfbeelden die daarmee verbonden zijn. Via een spel van zetten en tegenzetten (Daniel Sibony) kan de kunstenaar een (relatief) nieuwe identiteit creëren die zich tegen de oude keert en daarmee ook tegen de machts- en waarheidsregimes die samen met die identiteit geïnterioriseerd werden (Michel Foucault). Dit is mogelijk dank zij processen zoals de creatie van een innerlijke ruimte (Kees Vuyk), sublimatie (Simon Critchley), zelfreflectie en recyclage van het verleden (het Vlaamse theater van de jaren 90).
De transit-zone heeft mij leren inzien dat het theater ondergronds moet gaan en alle gangbare criteria over wat “goed” en wat “slecht” theater is moet laten varen, wil het vandaag nog een emancipatorische functie hebben. Dat blijkt ook uit de nieuwe varianten van de transit-zone die na de Manège van de Opstand in 2013 en 2017 zijn ontstaan, namelijk de vzw Transfo Collect (Brussel) en Jong Gewei (Gent). Via het ensceneren en opvoeren van performances creëren ze een klimaat van convivialiteit (Ivan Illich) dat leidt tot het empoweren en politiseren van jongeren uit de urban culture. Een belangrijk element hierin is het spel en het (opnieuw) leren spelen, aangezien er een intrinsiek verband bestaat tussen spel en democratie (Kees Vuyk). Al spelend cultiveren transit-zone-leden een houding van égaliberté en solidariteit die ze ook verspreiden via de samenwerkingsverbanden die ze aangaan met andere culturele en maatschappelijke actoren. Zodoende bevragen ze de bestaande vormen van representatieve democratie en stellen er relatief nieuwe, directere vormen van democratie tegenover.

